Waarom elk verhaal dezelfde structuur heeft
- Bob Duynstee

- 14 mei 2024
- 11 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 16 uur geleden
Iedereen begrijpt verhalen. Overal ter wereld. Dat is de geruststellende gedachte. De minder geruststellende: we begrijpen ze altijd op onze eigen manier. Toen een Amerikaanse antropoloog in de jaren vijftig Hamlet voorlas aan een Nigeriaanse stam, herkenden ze het verhaal moeiteloos, maar gaven het een totaal andere betekenis. Niet omdat ze het niet begrepen, maar omdat ze het anders lazen. Daar begint dit verhaal. Niet bij wat een verhaal is, maar bij hoe het werkt en waarom dat verschil ertoe doet.

Op een winterse ochtend zit Marcel Proust bij zijn tante Léonie in Combray, in haar stille slaapkamer. Als kind kwam hij daar op zondagen thee drinken; een ritueel moment van rust en regelmaat.
Zijn tante doopt een stuk Madeleine in lindebloesemthee en reikt het hem aan. Proust brengt het cakeje naar zijn mond, neemt een hap ... en dan gebeurt het. De smaak overspoelt hem; niet als herinnering in woorden, maar als een zintuiglijke herbeleving: het porselein in zijn hand, het ochtendlicht op de vloer, de sfeer van die ingetogen zondagen.
Hoe werkt ons brein?
Zijn volwassen brein doet wat neurowetenschappers een eeuw later onder een fMRI-scan vastleggen: geur en smaak activeren de hippocampus en de amygdala, de gebieden waar herinnering en emotie samenkomen. Het verleden verschijnt niet als reconstructie, maar als ervaring.
Het verhaal wordt niet passief herinnerd, maar actief herbeleefd. Dat is hoe ons brein werk. En dat brein kunnen we niet uitschakelen. Zelfs in onze slaap blijft de machine breien.
Shakespeare in the Bush
Dat mensen overal ter wereld in staat zijn om verhalen te begrijpen, werd op indringende wijze aangetoond in het beroemde veldverslag van de Amerikaanse antropoloog Laura Bohannan in Shakespeare in the Bush (1966). In de jaren vijftig las zij het verhaal van Hamlet voor aan leden van de Tiv-stam in Nigeria. De Tiv begrepen het verhaal moeiteloos - in termen van familieverhoudingen, moord, erfopvolging en wraak - maar gaven er een volstrekt eigen culturele invulling aan.
Zo werd de geest van Hamlets vader uitgelegd als hekserij, het huwelijk van zijn moeder met Claudius als sociaal gepaste hertrouw en Hamlets innerlijke strijd als onbegrijpelijk uitstel van een noodzakelijke daad. Wat Bohannan aantoonde: ons brein begrijpt verhalen spontaan en overal, maar wel binnen de culturele logica die ons vormt. Dat brengt ons bij de verhaalstructuur, het eigenlijke onderwerp van deze blog.
Het verlangen en de werkelijkheid
We zien een mens. Een mens met verlangens: een kind dat niet meer gepest wil worden, een veteraan die zijn leven weer op de rit wil krijgen, een vrouw die eindelijk voor zichzelf wil kiezen, een jongen die zijn vader wil bewijzen dat hij geen mislukkeling is. Het hoeft zelfs niet eens een mens te zijn om het verlangen voor ons invoelbaar te maken: een vis die droomt van een leven op land; een boom die weg wil lopen. Dat is het soort verlangen dat spanning oproept omdat het botst op de weerbarstige werkelijkheid. Een echt verhaal heeft frictie: obstakels, tijdsdruk, innerlijke strijd, risico, morele spanning.
De verhaalstructuur in reclame en in literatuur
Om de verhaalstructuur te snappen, hoeven we maar te kijken naar de meest clichématige en simpele vorm ervan: reclame. Elke commercial draait om een verlangen: naar witte tanden, een frisse was, een luxe auto of de zekerheid dat alles goed geregeld is.
Eerste acte: we zien de hoofdpersoon in gelukkige omstandigheden door het keukenraam naar buiten turen. Kijk, daar ravot haar koter. Hoe mooi kan het leven zijn?
Dan stort, tweede acte, de wereld van de hoofdpersoon in: haar spruit is uitgegleden en nu zit er een groene vlek op zijn witte broek waar het kereltje pruilend naar zit te staren. We zien de totale paniek in de blik van de hoofdpersoon. Hoe krijg je dát schoon? Daar zit de frustratie, de confrontatie met de harde werkelijkheid: die vlek gaat er nóóit meer uit. Ze ziet in die éne milliseconde de hele carrière van haar ventje in rook opgaan. Wat nu? Hoe duur is goede raad?
Nu komt de helper in beeld: Witte Reus. We zitten in de derde acte. Als bij toverslag zijn de problemen de wereld uit. En dan blijkt een pak ook nog eens reuze goedkoop. Volgt de beloning: de kus van de blije kleuter.
Het bedrijf dat de oplossing biedt, meet zichzelf altijd de rol van de helper aan en nooit die van de hoofdpersoon zelf. De klant is altijd koning. En de klant is natuurlijk niet dat jongetje, maar de actor die over de inkoop gaat; de moeder dus.
Verschil tussen literatuur en reclame
Het verschil met de wereldliteratuur zit niet in de structuur, maar in de ervaring van het verhaal. In reclame blijft het conflict extern en snel oplosbaar (quick fix). Er is geen tijd voor twijfel, voor morele complexiteit of risico. Het gaat om het effect. In die zin is een reclame technisch gestructureerd als een verhaal, maar met een lage narratieve weerstand.
In de literatuur is de hoofdpersoon geen gestileerd model, maar een mens van vlees en bloed. Het verlangen is complexer, de motieven veelzijdiger, de weg vol omwegen. Obstakels zijn niet schematisch geënsceneerd maar existentieel: schuld, verlies, boete, wraak, twijfel, verraad, isolatie.
Aristoteles: Poëtica rond 335 v.Chr.
De eerste die gedocumenteerd over de verhaalstructuur geschreven heeft, was Aristoteles. Hij wilde betekenis geven aan wat hij zag: het effect dat tragedies hadden op het publiek. Aan welke wetten moest zo'n tragedie dan voldoen om dat effect te hebben?
Volgens Aristoteles is de plot het belangrijkste aspect in een verhaal. Dat definieert waar het verhaal over gaat en wat het publiek gaat ervaren. En die ervaring heeft altijd te maken met een verandering van het lot dat de hoofdpersonages beïnvloedt en het publiek emoties laat ervaren.
Karakter is daarbij volgens Aristoteles een centraal element. Dat moet 'logisch' zijn; dus in lijn liggen met de wereld zoals we die zelf ervaren. Waar het volgens Aristoteles in essentie op neerkomt, is dat de schrijver weliswaar de hoofdpersoon opvoert, maar dat die zich er bewust van is dat zijn hoofdpersoon een connectie moet zien aan te gaan met het publiek. Dat kan alleen als het publiek mee kan voelen met de karakters, om te beginnen met de hoofdpersoon . Daar zit de logica: het publiek moet het zich kunnen voorstellen. En dan is meevoelen ook meteen mede-lijden, want er komt wat op de hoofdpersoon af!
Grappig genoeg keken de Oude Grieken er dan weer niet van op dat de toverkol Circe de mannen van Odysseus in varkens veranderde door hen een magische drank te laten drinken. Dat was in hun beleving dan weer volstrekt logisch. Dat heeft te maken met de narratieve transportatie theorie: het verhaal voert j emee naar een wereld waarin alles kan. Je legt je kritische wapens ter verdediging tegen onzin af en laat je 'vervoeren'. Daar maken leiders en politici gretig gebruik van.
Vervolgens werkt de schrijver, aldus Aristoteles, de angst of het complex van de hoofdpersoon verder uit. Dat is bij Aristoteles het derde element: het thema: waar gaat het verhaal ten diepste over: liefde, trouw, verraad, hoogmoed. De verwikkelingen die daar het gevolg van zijn, vallen in het middenstuk.
De ontknoping, catharsis of loutering tenslotte, werkt voor het publiek als een verlossing.
Zo kwam Aristoteles tot een logische ordening van oorzaak en gevolg: iets begint niet zomaar, het wordt in gang gezet en kent een voorgeschiedenis; in het midden ontwikkelt zich een noodzakelijke spanning en complexiteit; het einde is daardoor onomkeerbaar, niet optioneel. Het noodlot. Denk aan Rijkman Groenink en ABN AMRO.
De verhaalstructuur vanaf de Romantiek (19e eeuw)
Met die analyse van de verhaalstructuur hebben we het tot diep in de 18e eeuw moeten doen. De retorische Romeinse traditie, de scholastiek, de christelijke narratief-cultuur van schrijvers als Dante en daarna schrijvers als Cervantes, Shakespeare, Molière en Goethe verrijkten allemaal wat een verhaal kon zijn, zonder dat iemand de behoefte voelde om een alternatief voor Aristoteles’ analytisch raamwerk te bouwen. De verklaring is dat al die tijd structuur gold als iets wat vastlag in vorm (op het toneel of in een boek), niet in het psychologische proces -laat staan in de structuur van de psyche- van de lezer of toeschouwer.
Freytag; De Technik des Dramas (1863)
Pas toen verhalen vrijer werden van vorm, de lezer een meer individuele rol kreeg en men een 'narratief' ging zien als iets dat gecomponeerd wordt en niet alleen nagebootst, stortte Gustav Freytag zich op het narratief. Freytag (1816-1895) was schrijver, literatuurcriticus, journalist en historicus. Hij is vooral bekend geworden vanwege zijn invloedrijke werk Die Technik des Dramas (1863), waarin hij een vijfdelige structuur uiteenzette voor dramatische opbouw:
Expositie
Opbouwende actie
Climax
Afbouwende actie
Ontknoping.
Dat is de 'Freytags Pyramide' of de 'dramatische spanningsboog' gaan heten.
Todorov; Grammaire du Décaméron (1969)
In dit werk analyseert de Bulgaars-Franse taalkundige en literatuurwetenschapper Tzvetan Todorov (1939–2017) Boccaccio’s Decamerone en ontwikkelt een vijfstappen-model van narratieve logica. Centraal staat de verstoring van het evenwicht. De stappen zien er zo uit:
Een stabiele beginsituatie
Een verstoring van die situatie
Erkenning van de verstoring
Herstelpoging
Een nieuw evenwicht
Waar Freytag een spanningsboog ziet, ziet Todorov een verstoringsmodel.
Propp; Morfologie van het Volksverhaal (1928)
Literatuurwetenschapper Vladimir Propp (1895-1970) was de eerste die systematisch aantoonde dat verhalen -in zijn geval Russische volksverhalen- een vaste onderliggende structuur hebben. In zijn boek Morfologie van het Volksverhaal (1928) analyseerde hij honderden sprookjes en ontdekte dat elk verhaal opgebouwd is uit een beperkt aantal functies of plot-stappen (31 in totaal), die altijd in dezelfde volgorde voorkomen. Denk aan elementen als: de held vertrekt, de vijand verschijnt, de held krijgt hulp, er is een beproeving, de held overwint, de held keert terug met een beloning.
Jung; Archetypen und das kollektive Unbewußte (1934)
Carl Gustav Jung (1875–1961) had dáár weer een evolutionair-psychologische verklaring voor. Jung verdiepte zich in mythen, sagen, religieuze verhalen, alchemie en symboliek uit verschillende culturen. Hij zag opvallende overeenkomsten in verhaalstructuren, karakters en symbolen in religieuze werken en mythologie.
Volgens Jung worden we geboren met een vermogen om bepaalde relaties, spanningen en patronen te herkennen - zoals moeder-kind, held-tegen-draak, dood-en-wedergeboorte; maar ook begrippen als hemel en hel en zelfs gebeurtenissen als de zondvloed en de apocalyps. Daarmee onderscheidde Jung drie dimensies van de geest: het bewustzijn, het persoonlijke onbewuste en het collectieve onbewuste, waarbij de laatste het verst van de eerste is verwijderd.
Hoewel ze vanuit een totaal andere invalshoek werkten en elkaar niet gekend hebben, levert de structuuranalyse van Propp indirect bewijs voor de ideeën van Jung over het collectieve onbewuste en het idee van archetypes. Voor Jung was het collectieve onbewuste en de archetypes eerder een werkhypothese: een model om de opvallende gelijkenissen tussen mythen, dromen, sprookjes en psychologische patronen te verklaren.
Jung zag deze archetypen niet als Tarot-typetjes, maar als diepgewortelde psychische patronen die in alle culturen opduiken. De essentie voor Jung was het streven naar zelfverwerkelijking. En om dat streven vorm te geven, onderscheidde Jung vier archetypes die ook relevant zijn voor organisaties:
De Persona
Het sociale masker dat we aan de buitenwereld tonen.
De versie van onszelf die gezien, gewaardeerd en geaccepteerd wil worden.
In verhalen vaak de diplomaat, bestuurder, leider of publieke figuur.
In organisaties vertaalt de Persona zich naar reputatie, merk, positionering en corporate story: het verhaal dat een organisatie over zichzelf vertelt.
Het Ego
De bewuste identiteit: het beeld dat iemand van zichzelf heeft.
Het centrum van ons dagelijks bewustzijn; het 'ik' dat keuzes maakt, doelen nastreeft en betekenis geeft aan ervaringen.
Dat wat in ons leven wordt beloond, gekwetst, bevestigd, uitgedaagd en bewonderd.
In verhalen vaak de held-in-wording: degene die denkt te weten wie hij is, maar gaandeweg ontdekt dat zijn zelfbeeld onvolledig is.
In organisaties is het Ego de identiteit zoals die daadwerkelijk beleefd wordt: de overtuigingen, aannames en vanzelfsprekendheden die het dagelijks handelen sturen.
De Schaduw
Alles wat het Ego niet wil zien of erkennen.
Verborgen eigenschappen, verdrongen ervaringen, ongemakkelijke waarheden, maar ook onbenutte talenten en mogelijkheden.
In verhalen verschijnt de Schaduw vaak als antagonist, monster, rivaal of tegenstander.
In organisaties manifesteert de Schaduw zich als de kloof tussen wat een organisatie zegt te zijn en wat zij feitelijk doet. Juist daar ontstaan cynisme, weerstand, hypocrisie en cultuurproblemen.
Het Zelf
Het Zelf is het organiserende centrum van de gehele psyche: Ego, Persona, Schaduw én het persoonlijke en collectieve onbewuste.
Het vertegenwoordigt niet wie we denken te zijn (Ego), maar wie we in potentie kunnen worden.
Individuatie -Jungs centrale ontwikkelingsproces- is de geleidelijke integratie van deze verschillende delen tot een meer volledig mens.
In mythen verschijnt het Zelf vaak als de Graal, de mandala, het paradijs, de wijze koning, het beloofde land of een goddelijke figuur.
In verhalen is het Zelf niet het vertrekpunt, maar de bestemming van de reis.
In organisaties zou het Zelf kunnen worden opgevat als de diepste identiteit van de organisatie: haar bestaansreden, cultuur, geschiedenis, ambities en collectieve potentieel in samenhang. Waar de Persona draait om imago en het Ego om zelfbeeld, draait het Zelf om authenticiteit.
Een organisatie die haar Persona, Ego en Schaduw weet te integreren, ontwikkelt een geloofwaardig verhaal over zichzelf dat correspondeert met gedrag, cultuur en strategie. Vanuit narratief perspectief zou je kunnen zeggen dat het Zelf de organisatie is die zij droomt te worden. En dat dromen houdt nooit op. Anders dan mensen hoeven organisaties namelijk nooit op te houden te bestaan.
“Iedereen draagt een schaduw en hoe minder die in het bewustzijn van het individu is geïntegreerd, des te zwarter en dichter hij is.” Carl Gustav Jung
Narratieve structuur
Onze hersenen herkennen archetypische patronen, maar dat is geen passieve actie. Zodra we een ervaring meemaken die verwarring, conflict of verlangen oproept, grijpt ons brein automatisch naar een narratieve structuur die de ervaring betekenisvol kan maken. Dat gebeurt onbewust:
We maken van gebeurtenissen een plot;
We wijzen onbewust rollen toe (held, helper, tegenstander);
We plaatsen onszelf in het centrum van een betekenisvol verhaal;
Daarom herkennen we in moderne verhalen nog steeds de oude schema’s:
In een startup pitch: de underdog die de status quo uitdaagt;
In een politieke speech: het volk als held, het establishment als tegenstander;
In branding: de mentor (Obi-Wan), de rebel (Harley Davidson), de everyman (IKEA).
Campbell; Monomyth; The Hero with a Thousand Faces (1949)
Op de ideeën van Jung bouwde Joseph Campbell (1904–1987) weer verder. Campbell was een Amerikaanse mytholoog, literatuurwetenschapper en hoogleraar in de vergelijkende mythologie en religie. Al in 1927 bezocht hij Zürich, waar het Psychologisch Instituut van Jung gevestigd was. Hier volgde hij colleges en lezingen over psychologie en mythologie en kwam hij in aanraking met Jung’s ideeën over het collectief onbewuste, archetypen - concepten en het concept van zelfverwezenlijking.
In de daaropvolgende decennia legde Campbell door onderzoek universele patronen bloot in verhalen, mythen en religieuze tradities van over de hele wereld. In zijn invloedrijke boek Monomyth; The Hero with a Thousand Faces (1949) verwijst Campbell uitgebreid naar Jungs. Monomyth kan gezien worden als een narratieve vertaling van Jungs archetypische psychologie, met dit verschil: waar Campbell de reis van de held beschrijft in uiterlijke stappen, benoemt Jung de innerlijke dimensie daarvan: de reis naar psychische heelheid - het worden van wie je in wezen bent. Jung noemt dat proces 'individuatie' (zelfverwezenlijking).
Kort gezegd: individuatie is het innerlijke equivalent van de heldenreis. De Reis van de Held van Campbell is uiteindelijk niets anders dan Jungs proces van individuatie in verhalende vorm.
The Hero's Journey
The Hero’s Journey van Campbell weerspiegelt het proces van zelfverwerkelijking (individuatie): de hoofdpersoon verlaat het vertrouwde, ondergaat beproevingen, transformeert tot held, komt in contact met onbekende krachten (zijn schaduw, zijn roeping) en keert getransformeerd terug.
In verhalen symboliseert individuatie vaak een morele of spirituele groei van de hoofdpersoon. Kenmerken van individuatie:
Confrontatie met het schaduwdeel van jezelf; de verdrongen of onderdrukte aspecten;
Integratie van archetypen zoals de Anima/Animus; het innerlijke vrouwelijke/mannelijke;
Ontwikkeling van het Zelf: de totaliteit van bewuste en onbewuste aspecten van de persoonlijkheid;
Het overstijgen van sociale maskers; wat Jung de persona noemt.

Vogler; The Writer's Journey (1992)
Eind jaren tachtig en begin jaren negentig had Hollywood-consultant Christopher Vogler The Hero's Journey uitgewerkt in 'The Writer's Journey'. Daarin segmenteert Vogler de Reis in twaalf stappen, specifiek voor scenarioschrijvers. Films als Star Wars, The Lion King, The Matrix.
Eigenlijk zijn 9 van de 10 films op dit schema gebaseerd. Maar volgens 1001 is het meer dan filmtaal; het is een psychologische routekaart voor verandering, dat laat zien: mensen volgen geen beleid, maar een verhaal dat voor hujn gevoel klopt.
1001 maakt gebruik van deze verhaalstructuur in de Narratieve Methodiek voor Organisatieontwikkeling.
Meer weten?
Interesse in een Masterclass of Lezing over dit onderwerp? Neem gerust contact op.



Opmerkingen