top of page

De wetenschappelijke kant van storytelling; de oorsprong

Bijgewerkt op: 20 feb.

Storytelling is de meest krachtige vorm van communicatie en kent een wetenschappelijke onderbouwing. Antropologen, sociologen en evolutionair psychologen doen onderzoek naar de rol van verhalen in samenlevingen. Voor alle sceptici is hier de wetenschappelijke onderbouwing van storytelling. Deel 4.



Toen onze soort 200 duizend jaar geleden in Oost-Afrika ontstond en zich over de savannen verspreidde via het Arabisch schiereiland naar Europa en Azië, waren wij niet de enige mensensoort en al helemaal niet de meest succesvolle. Neanderthalers bijvoorbeeld waren groter en sterker. Onze soort verschalkte kleine zoogdieren, groef wortels op, plukte vruchten en was zelf een prooi voor grote roofdieren. Schichtig en op onze tenen slopen we, gewapend met een steen, op een achtergelaten kadaver van een oeros af. De troep bergleeuwen die de os had gedood, was het eerst aan de beurt. Daarna de jakhalzen en hyena's en dan pas waren wij aan de beurt, net voor de wachtende gieren. Veel zat er inmiddels niet meer aan het karkas, maar we konden met die steen de botten kraken en het merg er uit zuigen.



Taal

Zo ging dat, totdat er 50 duizend jaar geleden opeens iets veranderde en onze soort in een evolutionaire seconde heer en meester werd op aarde. Dat 'iets' noemen we de cognitieve revolutie, de grote kennissprong voorwaarts. In die ontwikkeling spelen vuur en taal een centrale rol. En taal dan vooral als instrument om via verhalen verklaringen te geven voor de werkelijkheid zoals die zich aan ons openbaart en de kennis over de werkelijkheid over generaties te delen via ervaringsverhalen, verklaringsverhalen en zingevingsverhalen. Hier ligt de oorsprong van de wetenschap. De capaciteit om te vertellen verschijnt ergens tussen 2,5 en 3 jaar en op die leeftijd kan een kind al onderscheid maken tussen fictie en non-fictie.



Spraak

Het eerste onderzoek naar de verwerking van taal in de hersenen stamt uit de negentiende eeuw. De grote doorbraken kwamen toen van de Franse arts Paul Broca en de Duitse neuroloog Carl Wernicke. Zij onderzochten deelaspecten van het menselijk taalvermogen in relatie tot het brein, en baseerden zich op patiënten met bepaalde hersenbeschadigingen (afasie). Zo ontdekte Broca een relatie tussen een deel van de hersenen en het vermogen te kunnen spreken. Wernicke ontdekte op zijn beurt een verband tussen een ander deel van de hersenen en het vermogen om spraak te begrijpen. Deze hersengebieden werden bekend als het 'gebied van Broca' en het gebied van Wernicke. Tegenwoordig weten we dat er in veel meer gebieden activiteit te meten is als we naar een verhaal luisteren.



Verbeelding

De mens is ook de enige soort die kan geloven in een fictief verhaal. In zoiets als een hiernamaals bijvoorbeeld of in een toekomstperspectief. Of in abstracties als geld, in de natie-staat, in de rechtsstaat, in rechtvaardigheid. Daar is kennelijk evolutionair voordeel uit te halen, getuige het feit dat de capaciteit om te vertellen ergens tussen 2,5 en 3 jaar verschijnt en dat kleuters op die leeftijd al onderscheid kunnen maken tussen fictie en non-fictie. Evolutionair is de vraag prikkelend of dat voordeel de bedoeling heeft om ons tegen onzin te beschermen of ons de mogelijkheid biedt om anderen om de tuin te leiden. Maar wat het ook is, we hebben met onze memes in de vorm van ideeën, ideologieën, mythes en religies wist samenwerkingsverbanden weten op te bouwen die elk voorstellingsvermogen te boven gaan.



Maan

Het onderscheid tussen fictie en non-fictie is evolutionair dus kennelijk helemaal niet relevant. En voor zover dat onderscheid er wel toe doet, zou de fictie het nog wel eens kunnen winnen van de werkelijkheid. Dat is zó bepalend voor onze geschiedenis en toekomst. Leeuwen, wolven en chimpansees werken ook samen, maar alleen als ze elkaar persoonlijk kennen. Met zijn verhalen in de vorm van ideeën, overtuigingen, mythes en religies wist onze soort samenwerkingsverbanden op te bouwen die elk voorstellingsvermogen te boven gaan; religieuze, wetenschappelijke, maatschappelijke, ideologische en economische verbanden. We hebben er een mens mee op de maan gezet.



De eerste overlevering

Grottekeningen zijn het eerste tastbare bewijs van de menselijke verbeelding aan het werk. Dat gaat terug tot 40.000 - 20.000 jaar vChr. Dat waren onze voorouders. De mooiste tekeningen vinden we in de grotten van Lascaux, maar de interessantste in de oudere grot van Chauvet, omdat het erop lijkt alsof daar het verhaal verteld wil worden. Leeuwen en paarden zijn in beweging afgebeeld. En onze voorouders lieten hun handafdruk achter. Er is weinig verbeelding voor nodig om te veronderstellen dat hier leden van de stam hun angsten hebben moeten overwinnen om op jacht te gaan en oog in oog te staan met beren, wolven, leeuwen, hyena's, oerossen en reuzenherten. De vroegste vorm van schrift zou pas rond 7000 v.Chr. in China ontstaan, maar toen was de mens al gesetteld en moet de verhaalcultuur al mee richting fictie zijn ontwikkeld.



Aristoteles

Een van de eerste denkers over het fenomeen 'verhaal' was Aristoteles. Volgens de eerste homo universalis is het plot het belangrijkste aspect in een verhaal. Dat definieert waar het verhaal over gaat en wat het publiek gaat ervaren. En die ervaring heeft te maken met een verandering (!) van het lot dat de hoofdpersonages beïnvloedt en het publiek emoties laat ervaren. Karakter is volgens Aristoteles ook een centraal element. Dat moet 'logisch' zijn; dus in lijn liggen met de wereld zoals we die zelf ervaren. Het werkt storend als een jager opgevoerd wordt als een vegetariër en Kiefer Sutherland is als een eerlijke president in de serie designated survivor ook alleen maar interessant omdat iedereen in zijn omgeving er een andere agenda op nahoudt. Het derde element is volgens Aristoteles het thema: waar gaat het verhaal ten diepste om gaat: liefde, trouw, verraad, hoogmoed.



Meevoelen

Waar het in essentie op neerkomt volgens Aristoteles is dat de schrijver weliswaar de hoofdpersoon opvoert, maar dat de schrijver zich er bewust van is dat hij een connectie moet zien aan te gaan met zijn publiek. Dat kan alleen als het publiek mee kan voelen met de karakters, om te beginnen met de hoofdpersoon . Daar zit de logica. En meevoelen is dan meteen ook mee-lijden, want er komt wat op de hoofdpersoon af! Dat stuk valt samen met het begin van elk verhaal. Vervolgens werkt de schrijver, aldus Aristoteles, de angst of het complex van de hoofdpersoon verder uit. Dat is het thema. De verwikkelingen die daar het gevolg van zijn, vallen in het middenstuk. De ontknoping, catharsis of loutering tenslotte werkt voor het publiek als een verlossing. Net als in de Goldberg-variationen op 3.10 min. na de verwikkelingen in het middendeel en de openingsscène in het begin.






De reis van de held

Verhalen kennen kortom een vaste structuur die wel gedefinieerd wordt als een ‘aaneenschakelingen van oorzaak-gevolg-relaties in de tijd’. Maar er zijn meer structuurkenmerken. In zijn onderzoek naar mythen en mythevorming ontdekte Joseph Campbell dat mythes over de hele wereld ongeveer hetzelfde patroon kennen. Dat patroon beschrijft hij in zijn boek ‘The Hero with a Thousand Faces (1949), met ‘The Hero’s Journey’ als meest bekende hoofdstuk. In de blog over Communicatie bij Verandering ga ik daar dieper op in.




Storytelling en ontwikkeling; een model; 1001
The Heroes Journey is perfect te gebruiken bij de communicatie rondom verandering.



Collectieve basisstructuur

Op The Hero’s Journey van Campbell zijn acht op de tien Hollywood-films gebaseerd. En die worden wereldwijd begrepen. Daaruit kunnen we opmaken dat dit schema staat voor een dieperliggend patroon dat voor elk mens en voor elke organisatie geldt. Dat patroon is universeel en tijdloos. In 1966 schreef Laura Bohannan het boek ‘Shakespeare in the bush’. Daarin vertelt ze over haar reis naar de Tiv-stam in het huidige Nigeria. Ze legde hun het verhaal van Hamlet voor. En wat blijkt? De Tiv hadden dezelfde aandacht voor dezelfde onderwerpen als een Westers publiek: bovennatuurlijke krachten, familierelaties, ambitie, verraad, moord, wraak en waanzin. Kennelijk hebben we als mensheid een collectieve basisstructuur (zie ook C.G. Jung) om verhalenderwijs te denken.



Sprookjes

Via verhalen bevestigen we elkaar in onze sociale en morele normen: zo doen we het hier. In dat opzicht weerspiegelen verhalen de groepsstructuur en -cultuur. Religie is zo beschouwd weinig meer dan een samenhangend web aan verhalen dat een zingevingsverklaring en een moreel handelingskader biedt; of oplegt. Net overigens als veel sprookjes. In Roodkapje lijkt het oppervlakkig te gaan om een lesje in gehoorzaamheid: Roodkapje mag niet van het bospad afdwalen en moet linea recta naar haar grootmoeder lopen. Maar de diepere laag is natuurlijk dat meisjes hun partnerkeuze moeten laten bepalen door de moederlijke lijn, precies de weg die Roodkapje in het sprookje aflegt: van moeder naar grootmoeder. En zo kun je elk sprookje Freudiaans analyseren en kom je via C.G. Jung uit bij universele archetypes, bij blokkades en remmingen, bij ons collectieve onderbewustzijn en bij transformatie als veranderingsproces en overgangsrituelen.



Storytelling in organisaties

Wat heb je daar nou aan in organisaties? Bij abstracte begrippen als cultuur, identiteit, strategie en verandering zul je moeten werken met storytelling-technieken om je verhaal betekenisvol, aanschouwelijk en inspirerend te maken. Instrumentele vormen van communicatie schieten dan tekort. Dan kun je achteraf wel zeggen: We hebben het toch gecommuniceerd, maar het komt gewoon niet binnen. Verhalen verbinden, maken concreet wat abstract is, persoonlijk wat anoniem is en geven betekenis in plaats van informatie. Van die wetenschap kunnen organisaties gebruik maken.



Gerelateerde posts

Alles weergeven

Comentários


bottom of page