Het harnas dat je niet meer uitkrijgt
- Bob Duynstee
- 5 aug
- 2 minuten om te lezen
Bijgewerkt op: 10 aug

Toen zijn vrouw in 2010 in verwachting was, schreef de Servische psycholoog Boris Djurovic een sprookje over een ridder die door de koning wordt gevraagd om het land te verdedigen tegen een kwaadaardige draak.
Om zich te beschermen trekt hij een harnas aan. Moedig verlaat de ridder huis en haard.
Hij vecht, overleeft en keert uiteindelijk terug naar huis. Maar dan gebeurt er iets geks: het harnas wil niet meer uit. Zelfs niet als zijn kind geboren wordt. En zelfs niet als hij thuis moet spelen, vasthouden, troosten en liefhebben. De man blijft gevangen in wat hem ooit beschermde. Het harnas is zijn pantser geworden.
Djurovic schreef dit verhaal niet alleen voor zijn kind, maar ook als fondsenwerving voor een psychotrauma-centrum voor Servische oorlogsveteranen waar hij het geld maar niet voor bij elkaar kreeg.
Het harnas als beeld is oeroud. In mythes en sagen beschermt het de held, maar is tegelijk ook zijn last. Wie altijd gewapend is, vergeet hoe het voelt om weerloos te zijn. Het harnas staat voor status, kracht, identiteit, maar is ook een gevangenis. In de middeleeuwen betekende 'gepantserd': emotioneel afgestompt, niet meer bereikbaar.
Uit modern psycho-historisch onderzoek blijkt dat middeleeuwse ridders symptomen hadden die we nu als PTSS zouden herkennen; ze leden aan nachtmerries, vrees, slapeloosheid en existentiële malaise.
De oude metafoor staat voor iedereen die ooit een rol op zich nam; om te overleven, te leiden, te helpen, te presteren en daarna vergat dat het 'slechts' een rol was.
De CEO die zó lang leider is geweest dat hij niet meer weet hoe het is om volger te zijn.
De hulpverlener die niet meer stopt met zorgen voor anderen, maar zichzelf vergeet.
De politieman, arts, onderwijzer of manager die thuis nog net zo functioneel communiceert als op het werk.
De adviseur die nooit meer zegt: “Ik weet het niet.”
De directeur die nog steeds 'aan' staat in het weekend.
De ouder die alles regelt — behalve z'n eigen rust.
De psychologische term is 'rolfixatie'.
En dus de vraag: kunnen en durven wij ons harnas nog af te leggen?
Zonder harnas komen existentiële vragen naar boven:
Ben ik nog nodig?
Ben ik nog waardevol als ik niets oplos, niks leid, niks fix?
Psychologisch gezien raken we hier aan de overgang van een functioneel naar een existentieel zelf. In Jungiaanse termen: het ego dat zichzelf definieert via prestaties en rollen wordt geconfronteerd met de roep van het Zelf dat vraagt om integratie van alles wat is weggedrukt: kwetsbaarheid, overgave, leegte, niet-weten.
Het afleggen van het pantser is dan geen zwaktebod, maar een vorm van innerlijk leiderschap; een stap in de richting van 'heelheid'.
Anders ga je uiteindelijk met je masker op, van het toneel af. En wie was je dan?




Opmerkingen