De escalatieladder van verandering
- Bob Duynstee

- 16 mei 2023
- 3 minuten om te lezen
Leiderschap wordt pas zichtbaar wanneer verandering weerstand oproept. Niet wanneer iedereen enthousiast is, maar wanneer belangen beginnen te schuiven. Precies daar gaat het vaak mis: óf organisaties worden hard en technocratisch, óf ze blijven zo lang empathisch dat de verandering smoort in overleg. Daarom vraagt elke wezenlijke verandering uiteindelijk om een escalatieladder: een manier om weerstand serieus te nemen zonder dat zij het proces volledig kan blokkeren.

Elke wezenlijke verandering produceert spanning. Niet omdat mensen irrationeel zijn, maar omdat verandering bijna altijd raakt aan positie, zekerheid, status, routines of professionele identiteit.
Juist de mensen met de meeste ervaring voelen dat vaak het scherpst. Daar zit historisch geheugen, vakmanschap en vaak ook terechte scepsis opgeslagen. Daarom begint een volwassen veranderproces niet met strijd, maar met onderzoek.
1. Luisteren en diagnosticeren
De eerste vraag is niet: 'Waarom werken zij tegen?' Maar: 'Wat raakt deze verandering precies?'
Welke onzekerheid ontstaat hier?
Welke expertise dreigt minder relevant te worden?
Welke status verschuift?
Welke eerdere ervaringen maken mensen wantrouwend?
Veel weerstand bevat namelijk belangrijke systeeminformatie. Denk aan praktische risico’s, historische mislukkingen en impliciete afhankelijkheden die het management zelf niet meer ziet.
Als mensen weerstand bieden, moet je daarom niet alleen vragen waarom ze tegen zijn, maar ook wat ze proberen te behouden: 'Vertel eens, wat zien jullie dat wij niet zien?'
Soms blijkt de weerstand dan inderdaad angst, gemakzucht of eigenbelang. Maar soms blijkt zij de laatste verdedigingslinie van vakmanschap, identiteit of gezond verstand. Juist daarom is het gevaarlijk om weerstand automatisch als irrationeel te bestempelen. Dat is vaak een manier om niet naar de inhoud van de kritiek te hoeven luisteren.
Wie weerstand te vroeg probeert te neutraliseren, verliest vaak precies die informatie die nodig is om de verandering geloofwaardig te maken.
Dit doen we door de voorgenomen verandering te plotten op het Grote Wiel van de 'Narratieve Methodiek voor Organisatieontwikkeling' en de weerstand te blijven volgen in het Kleine Wiel van de methodiek (zie 3).
2. Erkennen zonder te capituleren
De tweede fase is moeilijker.
Hier moet zichtbaar worden dat het verlies werkelijk wordt gezien. Niet cosmetisch, maar serieus. Mensen willen meestal niet direct comfort; ze willen erkenning dat er daadwerkelijk iets verdwijnt.
Dat betekent:
Benoemen wat blijft bestaan;
Benoemen wat ophoudt te bestaan;
Erkennen welke expertise minder centraal wordt;
Uitleggen waarom bepaalde zekerheden verdwijnen;
Uitleggen welke waarden ongemoeid blijven.
Juist in de spanningsvelden tussen continuïteit en verandering, tussen loslaten en vasthouden winnen leiders geloofwaardigheid.
Maar na het luisteren en diagnosticeren (1) mag erkenning niet meer omslaan in onderhandeling over de richting zelf. Anders ontstaat een situatie waarin iedere vorm van ongemak automatisch vetorecht krijgt.
Dit doen we in het kleine wiel van de 'Narratieve Methodiek voor Organisatieontwikkeling'.
3. Onderscheid maken tussen zorg en blokkade
Waar wel blijvende aandacht voor nodig is, is de waarde van weerstand.
Sommige weerstand probeert de verandering op een andere manier mogelijk te maken.
Andere weerstand probeert haar onmogelijk te maken.
Dat verschil is niet altijd direct zichtbaar. Daarom moet leiderschap voortdurend beoordelen:
Wordt hier nog gezocht naar kwaliteit?
Of wordt vooral het bestaande systeem verdedigd?
Voorbeeld 1: een ziekenhuis wil meer sturen op efficiëntie. Artsen bieden weerstand. Dat kan ook betekenen dat zij hun professionele autonomie en de kwaliteit van zorg verdedigen.
Voorbeeld 2: een school wil standaardiseren. Docenten bieden weerstand. Dat kan ook betekenen dat zij de pedagogische kwaliteit tegen de bureaucratisering beschermen.
Dat moment vraagt om scherpte. Want sabotage presenteert zich zelden als sabotage. Veel vaker verschijnt zij als:
Eindeloos uitstel;
Procedurele bezwaren;
Extra onderzoek;
Voortdurende herdefinitie;
‘Zorgvuldigheid’ zonder einde;
Overleg dat beweging vervangt.
De organisatie lijkt dan nog bezig met verandering, maar organiseert feitelijk stilstand.
Dit doen we in het kleine wiel van de 'Narratieve Methodiek voor Organisatieontwikkeling'.
4. Begrenzen
Vanaf dat moment wordt verandering ook een kwestie van begrenzen.
Niet iedere zorg kan volledig worden opgelost.
Niet iedere groep kan volledige zekerheid houden.
Niet iedere vorm van weerstand mag het tempo blijven bepalen.
Daarom moet uiteindelijk duidelijk worden:
Dit is de (aangepaste) richting;
Hierover is iedereen geraadpleegd;
Hierover is herhaaldelijk besloten;
Dat betekent dat niet alles kan blijven zoals het was;
Maar wat daardoor juist blijft is de continuïteit van de organisatie.
Dat vraagt niet alleen empathie, maar ook bestuurlijke volwassenheid. Anders raakt de verandering gegijzeld door precies die delen van het systeem die het meeste belang hebben bij het behoud van het bestaande.
5. Consequenties verbinden aan gedrag
Pas hier ontstaat de laatste fase.
Wanneer mensen ondanks erkenning, gesprekken, duidelijkheid en begeleiding actief blijven blokkeren, ondermijnen of saboteren, ontstaat een ander vraagstuk. Dan gaat het niet langer over onzekerheid rond verandering, maar over loyaliteit aan de gezamenlijke richting.
En precies daar moeten organisaties soms consequenties verbinden aan gedrag.
Niet als straf.
Niet vanuit vijanddenken.
Maar omdat elke verandering uiteindelijk bescherming nodig heeft tegen permanente verlamming.
Dat is de ongemakkelijke realiteit van leiderschap:
een organisatie kan niet tegelijkertijd fundamenteel veranderen én alle bestaande posities volledig intact houden.




Opmerkingen